Vragen die er toe doen

Uit Pareltaal
Ga naar: navigatie, zoeken


…er knaagt iets aan je. Er zit je iets dwars. Er dient zich een wens aan. Er is een probleem.

✣  ✣  ✣

Je wilt de zaak helder in beeld hebben zodat je het daadkrachtig aan kunt pakken.

Tom Peters: “Great questions induce great answers. The art of asking good questions is greatly unappreciated!”

Een goede uitgangsvraag is:

  1. algemeen, niet zuiver individueel;
  2. fundamenteel;
  3. relevant, motiverend, van belang;
  4. niet-empirisch: te beantwoorden door louter nadenken;
  5. eenvoudig geformuleerd; en
  6. te voorzien van een concreet goed voorbeeld.

Een krachtige vraag:

  • Is eenvoudig en helder.
  • Provoceert gedachten.
  • Genereert energie.
  • Focust inlichtingen.
  • Daagt aannames en vooronderstellingen uit.
  • Opent nieuwe mogelijkheden.
  • Roept meer vragen op.

Krachtige vragen bundelen aandacht, intentie en energie.

Daarom:

Breng met persen en rekken de hele olifant in beeld en geef het zin. Stel krachtige vragen. Vragen die er toe doen. Vragen die beginnen met Hoe kunnen we, Ontwerp, Verzin, Creeer. Scherp ze aan met 2x2-vragen. Vat het geheel samen in een boom van startformuleringen.

✣  ✣  ✣



✣  ✣  ✣



Socratische vragen

Criteria voor socratische vragen (tweede-orde vragen die gaan over fundamentele en principiële kwesties):

  • Algemeen—Laat de vraag een algemene kwestie betreffen die ieder aangaat. Vermijd zuiver individuele of persoonlijke vragen.
  • Fundamenteel—Maak de vraag fundamenteel van aard, waarbij principiële kwesties in het geding zijn.
  • Relevant—Zorg dat iedereen zich betrokken voelt bij de vraag en er een zekere inzet verlangd wordt om de vraag te beantwoorden.
  • Niet-empirisch—Maak de vraag door louter denken en dialectisch onderzoek beantwoordbaar. Sluit empirische beantwoording uit—antwoorden die ontstaan door waarneming van de werkelijkheid. Snijdt een mengeling van empirische en niet-empirische vragen toe op het niet-empirische deel.
  • Eenvoudig—Houd het simpel en vermijd een opeenstapeling van complexe begrippen.
  • Concreet—Zorg ervoor dat de betrokken concrete voorbeelden uit eigen ervaring kunnen genereren waarin de vraag een centrale rol speelt.

Ongeschikte vragen:

  • Wat zijn de juridische regels op dit gebied?
  • Wat is de gewoonte in zulke gevallen binnen ons bedrijf?

Vereist alleen empirisch onderzoek en geen dialectisch onderzoek.

  • Wat is de verantwoordelijkheid van het bedrijf op het gebied van personeelsbeleid ten aanzien van slecht functionerende medewerkers?

Te complex. Gebruik ockhams scheermes—de kwestie kan zonder verlies van betekenis eenvoudiger worden geformuleerd:

  • Wat is de verantwoordelijkheid van het bedrijf ten aanzien van slecht functionerende werknemers?

Vrije ruimte

Uit Vrije ruimte praktijkboek, p031, Jos Kessels, Erik Boers, Pieter Mostert, vragen die er toe doen (alias vraag achter de vraag).

Wat is een goede vraag' Wat voor vraag helpt je tot een onderzoeksgesprek te komen' Neem deze: 'Is het fair dat alle organisatieproblemen op mij als manager worden afgewenteld?’ Het is niet handig om veel tijd aan deze vraag te besteden. Dit lijkt een vraag, maar is in werkelijkheid een verhulde bewering. Het is lang niet zeker of de inbrenger iets wil onderzoeken, of alleen een klaagzang aanheffen. Wat is de vraag achter de vraag?

Deze vraag is te verdelen in twee stukken.

  1. Wat zijn de ervaringen die iemand tot zijn vraag leiden? Dat is een vraag naar relevante casuïstiek.
  2. Wat is de kern van wat er aan die ervaringen onderzocht moet worden? Dat is een vraag naar conceptuele scherpte.

Het loont de moeite beide vragen aan te pakken, als je de vraag achter de vraag wilt vinden.

Stappen

  1. Bepaal thema, casus en vraag.
  2. Verheldering, herformulering: scherp de vraag aan.
  3. Verplaatsing, formuleer een eigen vraag.
  4. Onderzoek onderliggende opvattingen en vragen.
  5. Plenaire uitwisseling.

Voorbeeld

Hieronder geven we een voorbeeld van hoe zo'n gesprek verloopt.

Thema, casus, vraag

De inbrenger wil onderzoeken hoe je een negatieve sfeer kunt vermijden. Hij brengt de volgende casus in: 'Ik had een voorstel voor probleem x, ik zou dat komen uitleggen in het overleg van de sectiehoofden. Ik had 20 minuten op hun agenda, en ik was voorbereid op een lastig gesprek, want ze zijn vaker negatief. Ik schoof aan tijdens het punt dat voorafgaand aan mijn punt behandeld werd. De sfeer was constructief, ik werd wat optimistischer over mijn eigen punt. Maar tijdens mijn presentatie was een van de hoofden heel kritisch en reageerde onmiddellijk negatief op mijn voorstel. Daarop begon ik nogmaals uit te leggen wat de voordelen allemaal waren. Opnieuw kreeg ik een negatieve reactie, ik merkte vooral non-verbaal dat deze manager het niks vond. Ik liet het erbij zitten en haakte af’ Het is nog de vraag wat hier precies het thema of de kwestie is. In ieder geval was de eerste herformulering van zijn vraag: 'Hoe ontstaat deze negatieve sfeer en wat kan ik eraan doen om dat te voorkomen?’ Deze vraag is nog erg instrumenteel (op directe beheersing gericht), en weinig fundamenteel (op inzicht in onderliggende patronen gericht).

Verheldering; herformulering van de vraag

In deze ronde werd de siruatie verder geconcretiseerd, door allerlei detailvragen van de groepsleden. De casusinbrenger veranderde op basis van deze ronde zijn vraag in: 'Hoe kan ik tijdens de vergadering bijsturen?’ Dit is weliswaar een aanscherping, maar nog niet erg sterk.

Verplaatsing en formuleren van de eigen vraag

Alle deelnemers leefden zich vervolgens in de positie van de casusgever in en formuleerden op papier wat volgens hen de eigenlijke vraag is in dit geval. Wat zouden ze zelf in deze siruatie denken, voelen en doen, en wat was dan volgens hen de wezenlijke vraag? Deze vragen inventariseerden we op de flip-over. De volgende kwamen naar voren:

  1. Wat is hier nu daadwerkelijk aan de hand?
  2. Hoe komt het dat dit steeds weer gebeurt en wat zegt dat over mij?
  3. Hoe verbeter ik mijn relatie met de sectiehoofden?
  4. Waarom vind ik een goede sfeer belangrijk voor het verkrijgen van draagvlak?
  5. Waarom is er geen gevoel van gezamenlijkheid en vertrouwen?

Ook deze vragen zijn nog niet erg sterk. De eerste is te onbepaald, de volgende drie zijn te psychologisch, te zeer op de persoon van de inbrenger gericht. De laatste is een empirische vraag, geen denkvraag.

Onderzoek naar onderliggende opvattingen en vragen

Vervolgens gingen de deelnemers in groepjes van drie aan het werk met de opdracht elkaar kritisch te bevragen op de eigen vraagformulering. Welke vragen zaten daar nog achter en welke redeneringen lagen eraan ten grondslag' Aan het eind daarvan formuleerden ze welke nieuwe vragen dit opleverde.

Plenaire uitwisseling

Deze vragen zetten ze op de flip-over. Ook de casus inbrenger gaf aan wat zijn eigen herformulering was. De volgende vragen kwamen naar voren:

  1. Wanneer is commentaar negatief?
  2. Waarom zou je iets willen voorkomen?
  3. Wat is de relatie tussen sfeer en inhoud?
  4. Zijn evidenties bespreekbaar?
  5. Kun je een ander begrijpen zonder het met hem eens te zijn?

De casus inbrenger kwam zelf met de volgende herformulering:

  1. Kun je je eigen vooroordelen opzij zetten'

Deze vragen zijn allemaal een stuk interessanter dan de oorspronkelijke uitgangsvraag: zij reiken verder, graven dieper, en zijn daarom beter geschikt om een vruchtbaar onderzoeksgesprek op gang te brengen. Dit is het geheim van de smid: een scherpe conceptuele focus in combinatie met de concrete details van een persoonlijke ervaring. Zie voor een uitgebreidere beschrijving van dit proces socratisch voorgesprek.

Literatuur

  • Chris Argyris, Leren in en doororganisaries. Het hanteerbaar maken van kennis. Schiedam, Scriprum, 1996.
  • U. Rosemhal e.a., Ambrelijkevenellingen. Over verschijnselen die nier onbenoemd mogen blijven. Utrecht, Lemma, 2000.

Oogst van scherpe vragen

  • Wat vreet je op?
  • Waar geef je veel om?
  • Hoe creeer je een paradox zonder polariteit?
  • Hoe ga je er op den duur mee om?
  • Overwin ik de draak van mijn angst?
  • Praktiseer ik wat ik predik?
  • Als je met een vraag geboren zou worden, welke zou dat dan zijn?
  • Wat is heilig voor je?
  • Welke diensten kan je leveren als je de hele keten beheerst?
  • Ben je je product aan het overontwerpen om met zeldzame uitzonderingen rekening te houden? Verwijder complexiteit. Eenvoud wint het altijd. minder is meer en ockhams scheermes
  • Wie gebruikt mijn product niet omdat er jaren van special vaardigheid vereist zijn? Wat als het omgekeerde waar is?
  • Waarom kopen mensen mijn product niet (seizoen-, trend-, economiegedreven)? Hoe kan ik dat omkeren?
  • Welke activiteiten die nu gepaard gaan met mijn product kan ik combineren (service, leveren, ondersteuning, advies)?
  • Wie gebruikt mijn product niet terwijl een vergelijkbare groep het intensief gebruikt (jongeren/ouderen, streek/stad) en waarom?
  • Wat maakt mijn product moeilijk in het gebruik?
  • Hoe kan ik een massaproduct op maat snijden?
  • Wat zijn de onwrikbare overtuigingen in mijn industrie over wat klanten willen? Wat als het tegenovergestelde waar is?
  • Wie is er gepassioneerd over mijn product of gerelateerde zaken en waarom of waarom niet?
  • Wat is er ongemakkelijk aan het samenstellen van mijn product?
  • Kan je een product aanbieden dat 5 keer zo duur is indien het een betere eigenschap of functie biedt?
  • Wat vinden klanten niet fijn in het proces van aanschaffen van mijn product of dienst?
  • Wie spendeert er een onnatuurlijk percentage (inkomsten, budget) aan mijn product of iets vergelijkbaars?
  • Wie klaagt er over de grenzen van mijn product? Dat zijn toekomstige fans die hopen dat je naar ze wilt luisteren.

Voorbeelden van kwesties die in aanmerking komen voor dialectisch onderzoek:

  • Welke mate van flexibiliteit mag je van medewerkers verwachten?
  • Kunnen we als organisatie stelling nemen in politiek-maatschappelijke discussies?
  • Wanneer is schaalvergroting wenselijk?
  • Hoe kunnen we individuele doelen koppelen aan de doelen van het bedrijf?
  • Voor welke mate van welzijn van anderen zijn wij verantwoordelijk? - Wanneer ben je niet meer integer?
  • Wat is pragmatisme?
  • Waar ligt de grens van tolerantie?
  • Is het verstandig mensen een leerproces op te leggen bij veranderingen?
  • Hoe moeten we omgaan met de spanning tussen individualiteit en de samenhang als organisatie?
  • In hoeverre zijn wij verantwoordelijk voor de consequenties van ons handelen?
  • Wanneer werkt onzekerheid positief?
  • Is het geoorloofd een cliënt sturing te geven?
  • Wat is activerende didactiek?
  • Wanneer hou je als bank op met kredietverlenen?
  • Wanneer tast onze flexibiliteit onze integriteit aan?
  • Kun je anticiperen op marktonwikkelingen?
  • Waar ligt de grens van vertrouwen tussen concurrenten?

Externe links


Web: Good Questions